|
Zakenrecht
in de provincie van Stad en Lande
Op woensdagavond 23 november 2005 gaf mevrouw B. S.
Hempenius - Van Dijk in de hal van het RHC Groninger Archieven een
lezing aan ongeveer 35 belangstel- lenden over bovenstaand onderwerp.
Met een boeiend betoog gaf zij een inleiding over de eerste beginsels
van het Groningse zakenrecht. Zij deed dit aan de hand van een bondige
samenvatting, door haar geschreven en uitgedeeld, van een in 1778
uitgegeven boek over dit onderwerp. Onderbroken door een kopje koffie
vertelde zij in tweemaal drie kwartier over de in de samenvatting
genoemde onderwerpen. Gelukkig heeft mevr. Hempenius ons toestemming
gegeven haar samenvatting onderstaand te publiceren, zodat de aanwezigen
nog eens de hoofdzaken kunnen nalezen, terwijl de afwezigen toch een
indruk kunnen krijgen van het gemiste. Onderstaand kunt u door haar
samengevat en geparafraseerd de belangrijkste vragen vinden, zoals de
heer Paulus Laman (grootvader of kleinzoon) zich stelde en gelukkig ook
beantwoordde in de 18e eeuw.
Na een dankwoord van voorzitter Joop van Campen, die van
de gelegenheid gebruik maakte om de aanwezigen te attenderen op de
manifestatie in Utrecht op 13 mei 2006 ter gelegenheid van het 60 jarige bestaan van de NGV, begaven we ons tegen 10 uur
huiswaarts.
Het Gronings Zakenrecht volgens
Laman
ingeleid en samengevat door B. S. Hempenius - van Dijk
Gronings zakenrecht
Mijn uiteenzetting over het zakenrecht, zoals dat in de provincie Groningen of zoals men toen zei, de Provincie van Stad en Lande, van kracht was voor 1811, is voor een groot deel gebaseerd op het boek Aanleiding tot de Eerste Beginselen der Groninger Regts-kennis, derde druk 1778. De algemeen erkende schrijver van dit boek, dat altijd anoniem is verschenen, is een zekere Paulus Laman, maar of het daarbij om de groot-vader, die leefde van 1668 - 1747 of de kleinzoon, die leefde van 1733-1788, gaat is onzeker. Vooral de eerste stond bekend als een briljant jurist. Zeker is dat hij al lang en breed overleden was, toen de derde druk van dit boek uitkwam, zodat het aannemelijk is dat het Paulus Laman II is geweest, die deze druk verzorgd heeft. Hij heeft deze druk bovendien verrijkt met uiteenzettingen over allerlei onderwerpen van het recht zoals dat in zijn provincie met zijn vijf verschillende rechtssystemen gold. Naast het recht van de stad Groningen, had men dat van de Ommelanden met Hunsingo Fivelingo en het Westerkwartier, dat van Selwerd, anders gezegd het Gorecht, dat van de Beide Oldambten en dat van Westerwolde of ook wel Wedde.
Het recht dat in de verschillende delen van de Provincie van Stad en Lande van kracht was, was ook nog eens beïnvloed door het Romeinse recht, zoals dat sinds de Hoge Middeleeuwen in het kader van de rechtenstudie op de universiteiten onderwezen werd. Dit was het gevolg van de zogenaamde 'receptie van het Romeinse recht', een verschijnsel dat in de veertiende en vijftiende eeuw overal in West-Europa opduikt. Het hield in, dat men dit Romeinse recht als 'hulprecht' ging gebruiken in die gevallen waarin er geen duidelijke regel van eigen gewoonte- of wettenrecht was. Met name op het gebied van het zogenaamde vermogensrecht werd nogal eens een beroep gedaan op dit Romeinse (Roomse) recht, omdat dit oplossingen bood voor problematieken, waarmee men zich in de ingewikkelder samenleving van de late Middeleeuwen meer en meer geconfronteerd zag. Om een voorbeeld te geven: Ten aanzien van grond en land dacht men in de vroege Middeleeuwen nog 'Germaans', dan wil zeggen dat de grond van een familieboerderij bij die familieboerderij hoorde en dat de familie daarvan leefde, terwijl het familiehoofd bepaalde hoe het bedrijf gevoerd werd. De leden van de familie hadden een bepaalde 'gewere' aan die grond. De zoons van het familiehoofd wisten bijvoorbeeld dat zij de volgenden zouden zijn, die het over de grond te zeggen zouden hebben. Sommigen binnen het familieverband hadden een speciale 'gewere', zoals de echtgenote van het familiehoofd, voor wie een stuk van dat land als weduwegoed was aangewezen. Hun recht van 'gewere' bestond dus in het feit, dat zij de zogenaamde verwachters van het familiegoed waren. In de loop van de Middeleeuwen maakt de gedachte van 'familiebezit' om het zo even te noemen naar de achtergrond en maakt plaats voor zoiets als individueel eigendom van onroerend goed. Het land bij de boerderij wordt dan niet meer als toebehorende aan de gehele familie beschouwd, maar als toebehorende aan de boer. Deze kon dit land zelf bewerken of verpachten, verkopen of wegschenken aan anderen zonder mede-zeggenschap van de familie. Wel zijn er in latere tijden nog allerlei herinneringen aan de eerdere situatie te herkennen. Zo was het in het Oldambt verboden bij testament over aangeërfde onroerende goederen te beschikken. Deze dienen in de familie te blijven. In de Ommelanden en in het Gorecht kon men bij testament in principe over de helft van het aangeërfde onroerende goed beschikken. De opkomst van het naastingsrecht voor familieleden bij verkoop van onroerend goed heeft hier ook mee te maken.
Het Romeinse recht, waarin al heel lang met het bijltje van het individuele eigendom en allerlei daarvan andere rechten met betrekking tot zaken gehakt werd, maakte het mogelijk al die verschillende verhoudingen tussen mensen en grond te benoemen en daardoor rechten en verplichtingen duidelijk te maken: Stel een boer heeft wel grond, maar geen geld om bijvoorbeeld zaaigoed of koeien te kopen. Hij kan dit geld natuurlijk lenen op rente, dan heeft hij een eenvoudig leencontract met degene die hem het geld leent. Maar het aangaan van een geldlening was in de Middeleeuwen eigenlijk verboden (woekerverbod) en natuurlijk wilde de lener wel zekerheid. De op-lossing lag voor de hand: de boer verkocht zijn land of een deel daarvan met recht van terugkoop en de hogere terugkoopprijs was dan goed voor aflossing en rente. Wel was de boer verplicht het land aan de koper te leveren. Hij was dus de eigendom kwijt. Om het land toch te kunnen bewerken was dan weer een pachtcontract nodig, waarbij de nieuwe eigenaar het land aan de oorspronkelijke eigenaar verpachtte tegen een bepaalde prijs, die dan leidde tot de terugkoopprijs (of rente en aflossing). Er waren ook andere oplossingen. De boer die zijn eigendomsrechten wilde behouden, kon om aan geld te komen een geldgever een grondrente verkopen. In dat geval betaalde de geldgever een x bedrag in ruil voor een jaarlijks uit de opbrengst van het land te betalen som. De geldgever werd dan gondrentetrekker en was dan voor bepaalde of onbepaalde tijd verzekerd van inkomen. Hij kon dit recht op zijn beurt weer verkopen of aan iemand schenken etc. Een grondrente is een zakelijk recht, waarvoor in beginsel dezelfde regels gelden als voor zaken.
Het zaken- of goederenrecht maakt deel uit van het privaatrecht - het recht, dat bepalend is voor de onderlinge betrekkingen tussen twee of meer private personen ofwel burgers. Bij het zaken- of goederenrecht gaat het dan speciaal om de regeling van de rechten en verplichtingen die private personen met betrekken tot goederen of zaken kunnen hebben. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan het uitoefenen van eigen-doms- of bezitsrechten. Het zakenrecht bepaalt bijvoorbeeld welke bevoegdheden iemand die eigenaar van een goed is, heeft.
Op zichzelf maakt het zakenrecht deel uit van het vermogensrecht dat zich bezig houdt met de regeling van de op geld waardeerbare rechtsbetrekkingen in de maatschappij. Het andere onderdeel van dit vermogensrecht is het verbintenis-senrecht, waarin het gaat over wat mensen met elkaar overeenkomen en elkaar op grond daarvan schuldig zijn, alsmede over de regeling van berokkende schade.
Bij het begrip 'vermogen' in juridische zin gaat het om het geheel van iemands op geld waardeerbare rechten en verplichtingen. Om het niet te ingewikkeld te maken, denkt u in dit verband maar aan de boedelinventarissen waar u vast wel eens mee te maken gehad heeft als bijlage bij een kinderafkoop of een boedelscheiding. In deze boedel-inventarissen vindt u een opsomming van allerlei dingen, die tezamen het vermogen van iemand, een individu, een echtpaar of een groep erfgenamen, uitmaken. Het gaat in die inventarissen in grote lijnen om drie dingen:
a. de goederen die men heeft, hetzij onroerende goedere, zoals huizen en grond, hetzij roerende goederen, zoals het huisraad
b. de vorderingen die men op anderen heeft, zoals het recht op betaling voor geleverde goederen, boekschulden, maar ook obligaties of rentebrieven
En daar tegenover:
c. de schulden die men jegens anderen heeft, zoals openstaande rekeningen van leveranciers en anderen.
De elementen a en b vormen de activa van iemands vermogen terwijl het bij het element c om de passiva gaat. Overtreffen de activa de passiva, dan is dat vermogen positief. Is het omgekeerde het geval, dan is dat vermogen negatief. Maar ook dat is een vermogen in juridische zin. Iedereen heeft dus in juridische zin een vermogen.
Laten wij nu eens zien wat Laman over het zakenrecht van de Provincie van Stad en Lande zegt:
Bron:
[Paulus Laman] Aanleiding tot de Eerste Beginselen der Groninger Regts-kennis
Boek II.
I. Hoofddeel: Van Saaken
1ste vraag: Wat is het tweede hoofdstuk of onderwerp van het recht?
Antwoord: Zaken die van iemand zijn.
2de vraag: Hoe worden zaken verdeeld:
Antwoord: Zaken zijn of roerlijk of onroerlijk. Onder de laatste behoren ook 'geregtigheden, als redger-regten, syl-regten en soo voorts …, ook het jus patronatus, ofte regt tot de keur van een pastorie, vicarie of praebende, welk regt toekomt aan jeder, die dertig grazen landt, onder een behuising in eygendom heeft. (Zie Ommelander Landrecht (Oml. Lr.) IV 4 en 5)…'
(NB Hier gaat het zowel om het onderscheid roerende en onroerende goederen als lichamelijke en onlichamelijke goederen, dat wil zeggen: goederen die je aan kunt raken en goederen die je niet aan kunt raken.
Zaken worden ook nog op andere manieren onderscheiden, zoals:
a. Hoofdzaken, bijzaken en hulpzaken
b. Verbruikbare en onverbruikbare zaken
c. Vervangbare en onvervangbare zaken
d. Tengewoordige en toekomstige zaken
Al deze onderscheidingen hebben consequenties voor de toepassing van het recht.)
3de vraag: Hoe worden zaken verdeeld?
Antwoord: Er zijn:
a. algemene zaken, zoals de zee, het strand,
b. zaken, die toebehoren aan het 'land', zoals de heerwegen,
c. zaken, die toebehoren aan 'gemeenten', dat wil zeggen: dorpen en gilden, en
d. zaken, die toebehoren aan particulieren.
4de vraag: Op grond waarvan behoren zaken toe aan particulieren?
Antwoord: Hetzij op grond van een recht van 'beheering, wanneer wy onmiddelbaar regt hebben op een zaak' (eigenlijk gaat het hier om de reden waarom wij recht hebben op een zaak), hetzij op grond van een 'inschuld' (= een vordering ten opzichte van iemand anders), zoals bij een schuldbekentenis.
5de vraag: Wat is het onderscheid tussen een recht van 'beheering' en een vordering?
Antwoord: Het recht van 'beheering' geeft ons macht om wat van ons is, van iedereen, die het in in macht heeft, op te vorderen, terwijl het recht van 'inschuld' ons alleen macht geeft datgene waar wij recht op hebben te vorderen van degene die het ons schuldig is.
Ter verduidelijking wijst Laman op de volgende situatie: Ik heb iets van een ander gekocht. Derhalve heb ik op die iemand en op niemand anderseen vordering tot levering van wat ik gekocht heb.
6de vraag: Hoeveel soorten van 'beheering' (reden van recht hebben op een
zaak ofwel zakelijke rechten) zijn er?
Antwoord: Zes: 'eygendom, bezit-regt, erv-recht, halv-eygendom, dienstbaarheid, en pand-regt'.
II. Hoofddeel 'Van Eygendom'
1ste vraag: Wat is eigendom?
Antwoord: Eigendom is een recht, waardoor ons een zaak volledig toebehoort, en wij de macht hebben haar tot ons te nemen waar zij ook gevonden wordt.
(Laman verduidelijkt dit door op te merken, dat iedereen het vrij bewind van zijn goed heeft, en dit ook aan anderen kan overdragen, tenzij hem dat door overeenkomst of wet verhinderd wordt. Persoonlijk eigendom is echter ook onderworpen aan de souverein of oppermacht, die in in omstandigheden van gevaar voor de staat eigendommen kan opvorderen, zij het zoveel mogelijk met vergoeding van de waarde.)
2de vraag: Hoe wordt eigendom verkregen?
Antwoord: Door belofte of overeenkomsten, zoals koop, schenking etc. en de daarop gevolgde levering.
3de vraag: Op wat voor manier geschiedt die levering dan?
Antwoord: Bij roerende goederen in beginsel door terhandstelling. Bij onroerende goederen door een gezegelde acte (zo is het in de stad en volgens het Ommelander, Oldambster en Westerwolds Landrecht) of door zogenaamde stoklegging (zoals in het Selwerder Landrecht).
…
5de vraag: Zijn er ook nog andere wijzen van eigendomsverkrijging?
A: Ja, verscheidene, zoals 'angryping', toevoeging, 'nieuw maaksel', vermenging en verjaring of praescriptie.
III. Hoofddeel 'Van Agryping en andere middelen'
1ste vraag: Wat is 'angryping'?
Antwoord: Dat is het tot mij nemen van dingen die aan niemand toebehoren. Dit geldt ook voor het vangen van wild en van vissen. Zie Ord. op de jacht en het vissen van 1688 en het Landrecht van Wedde artt. 70,71 en 97.
(NB 1. Een ander woord voor deze 'angryping' of in bezitneming is 'occupatie'.
NB 2. Als iemand iets waarvan hij eigenaar is weggooit, doet hij afstand van zijn eigendomsrecht ('abandonnement') en wanneer dat dan door een ander wordt opgepakt, verwerft deze de eigendom daarvan.)
…
4de vraag: Hoe verkrijgt men de eigendom van iets door toevoeging?
Antwoord: Bijvoorbeeld door aanwas, zoals gebeurt aan de kust wanneer de zee land doet aanslibben (Oml. Landrecht V, 51). Hetzelfde is het geval met de eigendom van de jongen die door de dieren, die men in eigendom bezit, geworpen worden.
(NB N.a.v. het woord 'aanwas' wijst Laman op een uitspraak van Burgemeesteren en Raad van Groningen van 22 maart 1683 over de eigendom van het in de zuidelijk deel van de Dollart aangeslibde land, dat inmiddels de Kroon-polder geworden was. Bij die uitspraak was toen uitgemaakt dat deze polder aan de stad Groningen toebehoorde.)
5de vraag: Kan men ook iets door toevoeging verkrijgen buiten de natuurlijke gang
der dingen?
Antwoord: Ja, bijvoordbeeld, wanneer iemand iets op de grond van iemand anders bouwt, zaait of plant. In zo'n geval wordt de eigenaar van de grond eigenaar van het gebouwde, gezaaide of geplante.
(NB Dit heet eigenlijk natrekking.)
6de vraag: Maakt het ook uit of dit geschied is met toestemming van de eigenaar van
de grond of buiten diens medeweten?
Antwoord: Ja, wie iets bouwt op andermans grond, moet dat als de eigenaar van de grond dat wil, weer wegnemen. Zie de Ord. op Conventien onder de titel Van Verhuring, art. 13, het Old. Landrecht IV, 121, het Oml. Landrecht V, 48 en het Selw. Landrecht, IV, 44. Bouwt hij echter met toestemming van de eigenaar, dan met wat hij bouwt getaxeerd worden en vervolgens door de eigenaar, de 'grondheer' aan hem betaald. Zie de genoemde Ord. op Conventien onder de titel Van Verhuring, art. 20, het Old. Landrecht IV, 125 en het Oml. Landrecht V, 48. En de geplante bomen dienen getaxeerd te worden naar het bedrag dat zij waard zijn op de dag, dat de huurder het gehuurde land verlaat. Zie de genoemde Ord. op Conventien onder de titel Van Verhuring, art. 22.
7de vraag: Wat is in dit verband 'nieuw maaksel'?
Antwoord: Dit gebeurt wanneer iemand van iets wat een ander toebehoort een nieuw voorwerp maakt. Bijvoorbeeld: Ik weef een lap stof van de wol van iemand anders. In zo'n geval word ik eigenaar van de geweven stof, al moet ik wel de eigenaar van de wol zijn wol vergoeden. Maarkt een derde dan weer een jas van die stof, dan wordt hij de eigenaar van die jas, al moet hij mij dan de stof vergoeden. Voorwaarde is, dat het onmogelijk moet zijn de oorspron-kelijke zaak te herstellen. Maakt men bijvoorbeeld een beker uit het zilver van iemand anders, dan zou dat zilver weer omgesmolten kunnen worden. In zo'n geval wordt de eigenaar van het zilver de eigenaar van de beker. Wel moet hij de maker, indien deze niet opdde hoogte was van het feit dat het door hem gebruikete zilver aan een ander toebehoorde, het makersloon vergoeden.
8ste vraag: Wat is vermenging?
Antwoord: Van vermenging spreekt men, wanneer door toeval of met opzet zaken die aan verschillende personen toebehoren, onscheidbaar door elkaar geraken. In dat geval verliezen de oorspronkelijke eigenaren hun eigendom en worden zij mede-eigenaren van het geheel met als gevolg dat ieder naar proportie recht heeft op zijn deel van het geheel.
IV. Hoofddeel. 'Van Verjaaring of praescriptie'
1ste vraag: Wat is praescriptie?
Antwoord: Praescriptie is een recht waardoor men de eigendom van iets verkrijgt, op voorwaarde dat men dat goed zonder inbreuk of onderbreking gedurende een zekere tijd heeft bezekten of gebruikt, zoals het recht dat bepaalt. Zie Oml. Landrecht IV, 46.
(NB Het gaat hier in beginsel om de zogenaamde verkrijgende verjaring als middel van eigendomsverwerving. Is men eenmaal door verjaring eigenaar van een goed geworden, dan betekent dit dat de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendom door verjaring heeft verloren. Ten opzichte van deze oorspronke-lijke eigenaar, spreekt men van 'extinctieve' verjaring)
2de vraag: Wat is vereist voor een volledige verjaring?
Antwoord:
a. dat het goed in kwestie kan verjaren.
b. dat de voor de verjaring gestelde termijn verstreken is.
c. dat men dit goed rustig bezeten heeft zonder inbreuk
d. dat men er op een eerlijke manier aangekomen is
e. dat men te goeder trouw was toen men het goed in bezit kreeg.
3de vraag: Welke zaken komen in aanmerking voor de - verkrijgende - verjaring?
Antwoord: In beginsel alle roerende en onroerende goederen, lichamelijk zowel als onlichamelijk. Wel zijn er bepaalde uitzonderingen. Zo kan de eigendom van het recht tot het uitoefenen van het redgerschap, verbonden aan een edele heerd nooit verjaren. Zie Oml. Landrecht IV, 45. en evenmin het gebruik van heerwegen … Ook goederen van minderjarigen kunnen niet door verjaring de eigendom van iemand anders worden. Zie Ord. op Conv. cap. van Praescriptie art. 15. Old. Landrecht III. 45. Oml. Landrecht IV. 49, zoals verjaring ook stopt in tijden van oorlog: Ord. op Conv. h[oc] c[apitulum], art. 16. Old. Landrecht III. 45.
4de vraag: Hoe zit het met de termijn van de verjaring?
A: Bij roerende goederen duurt die drie jaar …
5de vraag: Hoe is dat bij onroerende goederen?
A: Gewoonlijk tien jaar ten opzichte van een 'inlander' en twintig jaar ten opzichte van een 'uitlander' en ten opzichte van een crediteur. Zie Stadboek, appendix 11. 10, … Old. Landrecht III. 34, Oml. Landrecht IV. 51 en Selw. Landrecht IV. 85.
(NB Uit het antwoord op de 6de vraag blijkt, dat een 'uitlander' iemand is die buiten de Provincie van Stad en Lande, Drenthe en Westerwolde verblijf houdt. Houdt iemand afwisselend buiten en binnen dit gebied verblijf, dan 'worden twee jaren buiten landts gerekent tegen een jaar binnen landts'. Gaat het om gestolen of met geweld bezette onroerende goederen, of om geërfde goederen, dan is de termijn 30 jaar. Bij goederen van de Stad, de Provincie, of kerkelijke of soortgelijke vaste goederen, dan is de termijn 50 jaar (Antwoord op de 7de vraag).)
….
VI. Hoofddeel 'Van Besit-regt'
1ste vraag: Wat is - iets - bezitten?
A: Iets bezitten is - na overdracht - de daadwerkelijke macht over iets hebben, met de bedoeling om dat goed ook voor zichzelf te houden. Zie Old. Landrecht III. 98 en 100. …
2de vraag: Wat voor recht geeft het bezit van een zaak?
A: Dat men een zaak zolang onder zich mag houden tot een ander bewijst, dat die zaak van hem is, in het bijzonder als hij het al meer dan 'jaar en dag' in handen heeft gehad. Old. Lr. III, 99, en als een ander hem dit bezit metterdaad ontneemt, wordt hij, indien hij daar 'binnen jaar en dag' over klaagt, onmiddelijk in dit bezit hersteld.
|