Mei 2001: Bevolkingsregistratie 1850-2000Door Femke en Lars Roobol Bevolkingsregistratie: inleidingHet kan soms erg lastig zijn om de levensloop van iemand die veel verhuisde (of geen "vast" huis had) te volgen. Sommige gemeenten hadden al in de 17e eeuw lijsten van weerbare mannen, ook in de vroege 19e eeuw zijn er dit soort lijsten gemaakt (Zoals het registre civique in 1811). Ook zijn er enkele volkstellingen gehouden, waar men alle inwoners aantreft. Men moest wel bij aankomst in een nieuwe (kerkelijke) gemeente een briefje laten zien van de oude kerk, een zgn. attestatie. Dit was deels om de identiteit te garanderen (en dat men gedoopt was), en had deels een juridische achtergrond. De kerk zorgde nl. ook voor de armen. Mocht de verhuisde persoon binnen een bepaalde tijd tot de bedelstaf vervallen, dan was de "oude" kerk nog verantwoordelijk voor zijn of haar levensonderhoud. Soms vindt men nog in oude kerkarchieven boeken met verleende en ingekomen attestaties, deze kunnen de onderzoeker soms op het spoor zetten van "verloren" voorouders. In 1850 werd uit de behoefte om beter te weten waar iedereen zich ophield het bevolkingsregister geboren. Hierin werd van gebeurtenis tot gebeurtenis (en niet volkstellingsgewijs, ongeveer eens per 10 jaar) vastgelegd wie er bij elkaar woonde, en waarnaartoe men verhuisde, als men de woonplaats verliet. Dit systeem van registreren is in 1939, bij de invoering van de persoonskaarten (nu vervangen door persoonslijsten) overbodig geworden. Op de persoonskaart (-lijst) wordt voor ieder in Nederland wonende persoon vastgelegd:
Als iemand al meer dan 3 jaar geleden is overleden, kan men zijn persoonskaart voor f. 6,25 bij het CBG opvragen (vrienden van het CBG betalen f. 4,70), zie hiervoor http://www.cbg.nl/faq/faq.htm#Persoonskaarten. Voor zoekgeraakte personen (na 1850) kan het bevolkingsregister een uitkomst zijn. Het gehele register (dat tot aan 1940 loopt) is openbaar, dit betekent dat men door deze registers vaak een generatie verder komt dan in de burgerlijke stand, dat maar tot 1902 (geboorten) resp. 1922 (huwelijken) openbaar is. Het nadeel van deze registers is dat zij vaak lastig te bereiken zijn, omdat zij door de gemeente bewaard worden, en niet door de (Rijks)archieven. Men moet dus vaak letterlijk de onderzochte persoon in de voetsporen volgen! Als men het onderzoek zelf wilt verrichten is het raadzaam om eerst te bellen voor een afspraak. Het aantal leesapparaten is meestal beperkt tot 1, men moet dus een voor een langskomen. Men kan natuurlijk ook een brief sturen naar het desbetreffende gemeentearchief (vaak is het archief in een kamer of hoekje van het gemeentehuis gevestigd). Veel gemeenten vragen een vergoeding (ongeveer 30 gulden) voor hun antwoord, hoewel er ook bij zijn die kostenloos fotokopieën opsturen. Het C.B.G. in den Haag heeft veel registers op microfiche verfilmd, het gaat hier om de registers tot het jaar 1900. De Groninger Archieven hebben een grote collectie van deze fiches op de studiezaal staan. De collectie bestrijkt helaas niet heel de provincie Groningen, op deze bladzijde kunt u lezen wat u op de studiezaal wel kunt inzien. Alle aanwezige jaren zijn hierop aangegeven (een jaar "op zich zelf" duidt een volkstelling aan, een reeks van jaren een echt bevolkingsregister), maar dat betekent helaas niet dat het register ook in zijn totaliteit aanwezig hoeft te zijn op het archief. Er zijn gevallen (bv. Finsterwolde, 1860-1870) waarbij maar 2 van de 4 delen verfilmd zijn.
|