|
BOEDELSCHEIDING FAMILIE SCHOON, SCHOONFAMILIE VAN JAN BOELENS 1722, 11 juni: Na het overlijden van Freijke maakt Jan met zijn zwager een scheiding en deling van haar nalatenschap. Ze hadden daarvóór al procedures gehad die waarschijnlijk ook over deze nalatenschap gingen.[1] Verschenen zijn: de E: Jan Boelens woonachtig tot Onder-den-Dam ten eenre: en de E: Jan Cornelis Schoon en des selfs huijsvrou Barta Kelders ter anderen zijde; de welke bekenden en beleden met malkanderen een stede vaste en onwederroepelijcke erffscheidinge en delinge gemaekt te hebben van alle soodane goederen als de E: Freike Cornelis Salr: [=zaliger] huijsvrou van den eersten comparant [=verschijnende partij, dus Jan] op haar sterfdagh heeft nagelaten en op haer broeder den tweeden compt. als eenigste erfgenaam heeft vererft; invoegen als volgt: Jan is ten deel gevallen 10 grazen land te Onderwierum gelegen en twee behuizingen staande te Onderdendam, waarvan hij zelf in het ene woont en het andere daarnaast staat. Beide huizen staan op grond van de Hoogwelgeb. Mevrouw van Starkenborgh te Leens. Verder houdt hij alle huisgeraads ingoederen en mobilien, behalve het linnen en zilver dat in twee gelijke delen zal worden verdeeld en waarvan de 2e comparanten de helft samen met het lijfstoebehoren verklaarden te hebben ontvangen. Jan behoudt ook alle uit- en inschulden ‘soo ten profite of laste van gem: boedel exteren en ten inventaris zijn bekent of onbekent geene uitbesondert, behalven de uittinge kosten soo door de tweede comparanten zijn gelevert en betaalt’. Als compensatie moet Jan aan zijn zwager en schoonzus 575 gld. betalen. De helft van deze som is nu betaald en de andere helft moet voldaan worden op 1 mei 1723.[2] R.a. III x deel 99, fol. 282v (1722): Jan Boelens en Jan Conelis Schoon [1] GrA SA, inv. nr. 165, 17 juli 1721 en 3 dec. 1721 [2] GrA r.a. III x deel 99, fol. 282v
|